Ik ben ook maar een mens (Hand. 10,26)

 

Ik ben ook maar een mens. Een waarheid als een koe.

Toch is een mens vaak geneigd zich hoger te achten dan de andere en zich boven anderen te verheffen. Mensen willen groot worden door de andere te vernederen en te kleineren. Er is een spel van aantrekken en aftasten.

Vragen naar het waarom

“Waarom zijn er mensen?” vroeg Ivan. Hij was in een slechte bui en kwaad. Hij werd gepest door gewezen kameraden. Zijn de mensen er om je het leven moeilijk te maken of om jou op te tillen.

Een prof gaf een aanvulling bij het scheppingsverhaal. God schiep de wereld in zes dagen. De zesde dag schiep hij de mens en God zag dat het goed was. Maar toen schiep hij de collega.

Een student die merkte dat twee collega’s professoren nogal vaak kritisch stonden tegenover elkaar, had over hen deze boutade: “Ils se détestent cordialement dans le Seigneur.” ”Zij verfoeien elkaar hartelijk in de Heer.“ Dit gebeurt ook weleens in kerkelijke kringen, spanningen tussen gestrenge en rekkelijke…

De periode van verkiezingen is ook niet bepaald de gunstige tijd waar tegenstrevers vriendelijk zijn voor elkaar. En toch voelen mensen aan dat er nood is aan verbinding.

Enkelingen staan soms tegenover elkaar, alsook groepen binnen de bevolking. Er is klassenstrijd geweest en er worden tegenstellingen gemaakt tussen mensen zogezegd van eigen volk en deze van andere culturen. Er waren vrije mensen en ze hadden slaven. Bijna in alle tijden hebben mensen oorlog gevoerd en dit tot op onze dagen.

De hand van de medemens

Waarom zijn er mensen? Toch niet om elkaar te benadeligen en elkaar naar het leven te staan. Waarom zijn er mensen? Het is om samen te groeien, om lief te hebben, om de wereld mooier te maken. Wanneer ik val en niet kan opstaan, hoop ik dat een medemens mij zal optrekken. Mogen wij vertrouwen op de spontane goedheid in het hart van een mens. De grootste voldoening is een mens te kunnen helpen, iemand te zijn die bemint en zich bemind weet. Bij de opening van het jongerenconcilie in 1974, zei broeder Roger, prior van Taizé: “Wat is de waarde van ons bestaan, zonder liefde? Waarom zouden we dan nog leven? Met welk doel? Dit is de zin van ons leven: ons voor altijd en tot in eeuwigheid bemind weten, opdat wij op onze beurt zouden willen sterven aan de liefde. Ja, gelukkig wie sterft aan de liefde.” Sterven aan de liefde betekende voor hem: liefhebben tot het uiterste.” Liefde is zeker een waarde die hoog aangeschreven staat.

Petrus in Caesarea

“Ik ben ook maar een mens”, horen we vandaag Petrus zeggen in de Handelingen van de apostelen. Hij is nochtans de eerste van de apostelen en de voornaamste. In het mooi boekje van de Handelingen van de apostelen staat hij, vooral in het eerste deel van dit boek, vaak op het voorplan. Hij spreekt onverschrokken op de Pinksterdag over Jezus. Hij blijft dit doen, ook al wordt het hem door de overheden verboden en komt hij in het gevang. Hij trekt naderhand op rondreis. Hij komt in Jobbe, waar hij in de buurt genezingen verricht en Tabita, die overleden was, uit de dood opwekt. Wanneer hij in Jobbe in het huis van de leerlooier Simon vertoeft, krijgt hij het verzoek om naar Caesarea bij Cornelius, een Romeins officier, te gaan. Deze is geen jood; hij is een heiden die vraagt om gedoopt te worden. Petrus wordt er met veel eerbied ontvangen. Het is daar dat hij zegt: “Ik ben ook maar een mens” (Hand. 10,26).

Petrus beseft wel dat hij daar een belangrijke stap zet. Hij, een jood, volgeling van Jezus, komt in het huis van een heiden. Hij zal ingaan op diens vraag om hem en zijn gezin te dopen.

Dit alles wordt uitvoerig beschreven in het tiende hoofdstuk van de Handelingen.

In Caesarea wordt een uiterst belangrijke stap gezet: een heiden wordt opgenomen in de groep van de christenen. Petrus kon verder kijken dan zijn neus lang was. Met de doop van Cornelius en zijn gezin zet de kerk de eerste stap naar de wereld van de heidenen, Tot verrassing van de Joden, die christen zijn geworden, komt de Geest van Pinksteren over deze heiden en zijn familie. Naderhand is het vooral de apostel Paulus die Christus verkondigt onder de heidenen en die er heeft voor gepleit en bekomen heeft dat zij christen konden worden zonder zich eerst aan de Joodse voorschriften te binden;

Het verhaal van het doopsel van Cornelius brengt ons het belangrijk inzicht bij dat Gods liefde gaat naar alle mensen. “Nu besef ik pas goed, zei Petrus, dat er bij God geen aanzien des persoons bestaat, maar dat, uit welk volk ook, ieder die hem vreest en het goede doet Hem welgevallig is (Hand. 10,34-35).”

“Waarom zijn er mensen?” Vanuit de Bijbelse traditie van Oud en Nieuw Testament mogen we antwoorden; “Mensen zijn er omdat God van ons houdt.” God is en wil bij elk volk zijn en bij elke mens die hem oprecht zoekt. Gods zorg gaat uit naar elke mens.

De heilige Ireneüs heeft dit samengevat in deze korte zin:” Gods eer, de levende mens.” En eraan toegevoegd: “Het leven van de mens is het zien van God.” “ Gloria enim Dei vivens homo, vita autem hominis visio Dei".

Het gebod van Jezus

De mens als schepsel Gods heeft een grote waardigheid. Daarover verscheen begin april de Vaticaanse verklaring 'Dignitas infinita' over de menselijke waardigheid. Ze noemt vele schendingen ervan op, zoals door armoede, oorlog.  

Alleen door de 'oneindige waardigheid' van elk menselijk wezen als fundament te nemen, kan 'onze maatschappij werkelijk rechtvaardig, vreedzaam, gezond en authentiek menselijk zijn', zo stelt het document (Kerknet april 2024).

En in zijn encycliek Fratelli tutti roept paus Franciscus op om als broeders en zusters bij te dragen tot sociale vriendschap.

Deze zondag geeft Johannes ons de woorden van Jezus bij het Laatste Avondmaal. Het is een krachtige tuitspraak over de liefde. Hij geeft aan zijn volgelingen dit gebod mee: Elkaar lief te hebben zoals hij ons heeft liefgehad.

Het is deze opdracht die Johannes meegeeft in zijn eerste brief. “Laten e elkander liefhebben, want de liefde komt van God “(1 Joh. 4,7).

Waarom zijn er mensen? Om God en elkaar lief te hebben en ervoor te zorgen dat liefde sterker is dan haat.

Dit zijn dan de goede vruchten die wij op onze levenstocht kunnen voortbrengen

“Bouwen aan een wereld van rechtvaardigheid,

Werken voor aan een wereld, waar niets de mensen onderscheidt.

Bouwen aan de liefde die het wint van haat.

Geloven in de liefde, een zon die nimmer ondergaat

Uw liefde in mijn hart: alles wordt nieuw” ‘(P. Schollaert, ZJ 576)